Het voelt wat desolaat aan, alsof het een spookdorp is dat halsoverkop werd verlaten en waarbij niet alle sporen van de zomer zijn meegenomen.
Konijnen – en hier en daar een tuinkabouter die de wacht houdt – bevolken deze plek van negen hectare, die voor wandelaars in het domein grotendeels aan het oog onttrokken blijft. Wie even om het hoekje kijkt, ziet haast een blauwdruk van een echte Vlaamse volkse straat: al dan niet afgebakende territoria, bloembakken en plastic terrasstoelen die getuigen van bourgondische trekjes, maar evenzeer van de onweerstaanbare koterijdrang – in dit geval tuinhuisjes. Met tweehonderdtwintig percelen krijg je als buitenstaander misschien niet meteen de indruk dat mensen hier tot rust komen, maar waarschijnlijk werkt de groene, ruime omgeving helend voor wie er verblijft. De inplanting ademt nog altijd de sfeer van een zomerdorp, waar langverblijvers elkaar wellicht bij de voornaam aanspreken en barbecues aanstekelijk vonken. Hoewel de plek het hele jaar toegankelijk is voor de residenten en hun gezelschap, hebben ze om de kerstsfeer te beleven duidelijk andere oorden opgezocht.


